EEN THUIS VER VAN HUIS

Los Angeles, december 2007. Het is rond half vier in de ochtend als ik plotseling misselijk wakker word, steken op de borst. Ik probeer te bedenken wat ik verkeerd gegeten zou kunnen hebben. Of welke ingebeelde kwaal me ditmaal teistert. Van vermoeidheid val ik uiteindelijk weer in slaap, naast me droomt de jongen die later mijn man zal worden. Ruim twee uur later word ik opgeschrikt door mijn telefoon. Ik ren naar beneden, laatste tonen van het olijke jazz deuntje dat ik daarna, Pavlovreactie, nooit meer zal kunnen aanhoren. Een ingesproken bericht uit Nederland. Mijn moeder die niet als mijn moeder klinkt. “Je moet me nu terugbellen. Je moet me echt nu terugbellen.” Als ik haar thuis bel, neemt niet zij maar een vertrouwde vriendin op, evenmin zichzelf. Ze geeft de telefoon aan mijn moeder. “Papa is dood.” Zomaar, tennisracket nog in hand, is deze liefste papa der papa’s in elkaar gezakt. Ruim twee uur geleden.

De vlucht naar huis. Ondraaglijk lang. Ik schrijf en schrijf. Nat papier. Rauwe emoties die ik een week later op de begrafenis zal uitspreken. Precies zoals geformuleerd, hoog in de wolken waar ik mij dichter bij zijn vertrokken ziel waan. Alles in één, dat was wie hij was. En alles wat hij was, zal altijd bij me zijn. Mijn broer die op dat moment in Singapore woont, maar met zijn gezin door Thailand reist, kreeg hetzelfde telefoontje. Ook hij zit gebroken in een vliegtuig, vanaf de andere kant van de aardbol. We willen alleen maar elkaar vasthouden. En dat doen we tenslotte ook. Wekenlang, tot eerst hij en dan ik weer terug moet naar ons thuis ver van huis.

En nu, Los Angeles, december 2020. Een thuis ver van huis. Inmiddels gevuld met kleine lieve jongetjes die mij elke dag van deze niet aflatende pandemie groot geluk en grote gekte hebben gebracht. We hadden hier geen golf, wat veronderstelt dat iets komt en gaat, maar een zondvloed die maar blijft stromen. De scholen zijn sinds 13 maart niet meer open gegaan. De eindeloze zomervakantie beperkte zich tot de achtertuin. Brand, rellen, hitte. Het straatbeeld een zee van maskers. De mondkapjes heten hier masks: passende benaming voor een lapje dat veel meer dan de mond bedekt. Ook de neus namelijk, het halve benauwde gelaat. En het ontwrichte gemoed dat zich dagelijks afvraagt hoe alles toch verder moet.

Kerstavond, 2007. IJzig. De Hollandse bodem is net zo hard als de beslissing die binnen een uur genomen moet worden. Gaat hij hier liggen, onder de bomen? Of toch op het open vlak? Papa hield van bomen, gewasbescherming was zijn vak. Maar mama weet zeker dat hij voor weids zou hebben gekozen. Waarom had ze het er nooit met hem over gehad? Er moet die week nog zoveel meer gegist worden. Een plotselinge dood stelt je voor de meest onmogelijke vragen in een periode waarin denken toch al niet tot je vermogen behoort.

In de keuken staan de amandelen voor het traditionele kerstbrood dat nooit meer gebakken zal worden. Uiteindelijk zullen we ze eten. Om een laatste maal zijn liefde te proeven die uit elk onderdeel van de zorgvuldige voorbereidingen gutst. Om het leven in al haar bitterheid en zoetheid te vieren. Want vieren zullen we, naar zijn voorbeeld, zijn wens.

In elke crisis is een mens inventief in het creëren van geluk. En gelukkig zijn we, ook nu, zelfs gemaskerd. Bamboe omlijst de tuin, ons heiligdom. Hardnekkig spul, net als wij. Moedig blozende sinaasappels verraden plots de herfst. Het leven wil, nee moet, geproefd worden. Voorzichtig laten we intimi toe, de bubbel steeds wat opgerekt. Er klinkt weer muziek, de jongetjes blij en wild alsof het allemaal nooit beter was. Zelfs als de stad herhaald op slot gaat, houden we dit geluk vast.

Maar er is dat knagend gemis. Nooit sterker was de wens om naar mijn oorspronkelijke thuis te gaan. Dat thuis dat thans zo onbereikbaar lijkt. Daar waar mama en broer, overige familie en beste vrienden zonder mij bezig zijn hun geluk te vinden in een tijd waarin alles anders is. Terwijl we eigenlijk, simpelweg, alleen maar elkaar willen vasthouden, wekenlang, om echt verbonden te zijn.

Ik denk aan papa en ik weet dat het kan. Alles wat ik ben, en alles wat ik was, zit verankerd, ook in hen. Een thuis ver van huis, en toch verbonden. Ja, dat kan.

December 2020

Marieke Oudejans Comment